Morgen is hij vermoedelijk weer vergeten dat hij een fruitliefhebber is en binnen een week is de boel rot en beschimmeld en sterft het in huis van de vliegjes, die dan vervolgens met harde hand en krant bestreden moeten worden.
Papraatje (15) – Ten hemel varen. Of nog niet.
“Er zit toch geen knoflook in?” vraagt hij na de tweede hap. “Natuurlijk niet, daar hou je toch niet van?” lieg ik lustig. Dat noemen we een leugentje om bestwil. Daar houden we in onze familie van.
Papraatje (12) – Man van staal
“In het ziekenhuis zeiden ze dat ik geen staal meer in me lijf had,” verkondigt hij plots, met een stalen gezicht.
“Geen staal?” Het enige waaraan ik nu kan denken, is zijn kunstknie en waar die dan gebleven kan zijn. Of aan de resterende granaatscherven, die sinds het bombardement van Rotterdam nog in zijn benen dolen.
Papraatje (11) – De armoede
Ja, hij zit klaar om naar het ziekenhuis te gaan, verneem ik telefonisch. Waarom? Dat weet hij niet. Maar de huisarts heeft gezegd dat het moest, dus dan zal het wel goed zijn. “Die vent hep ervoor geleerd, dus ik bemoei me eige er niet mee,” roept hij.
Papraatje (10) – Dat zijn geen spelletjes
“U bent van…?”, vraagt de zuster nerveus, mij, door mijn scherpzinnige uitstraling in combinatie met het schrijfgerei op schoot, aanziend voor iemand van een instantie. “Ik ben van hém!” wijs ik met een hoofdknik naar de liggende man in de relaxstoel. “Ik ben zijn dochter!”
Papraatje (9) – Een verjaardag van niks
Alhoewel de teller de 20 ruimschoots passeert, is hij niet tevreden. Degenen die hij hier het liefst had gezien, zijn er niet. De “jongens van school” ontbreken. Is dat wat… #verjaardag
Papraatje (8) – Een beste borrel en een dode plant
Over ruim 2 weken wordt hij alweer 95, meldt hij monter. “Ja, er komt maar geen einde aan!” verzucht ik theatraal.
“Nee,” zucht hij eveneens, “en je zit hier toch allemaal om an je einde te komme, nietwaar?”
Papraatje (7) – Bonte boel
Onverwacht gaat de voordeur open en komt er een tanige zuster, met opvallend gemene kuiten en op gezonde schoenen, binnen gerend teneinde hem zijn bloedverdunners toe te dienen. Dat plotselinge zint hem, geheel terecht, niet. “Ik ken hier wel in me blote kont zitte!” De zuster rent na gedane arbeid verschrikt weer weg. “Ik heb de pest an dat wijf. Altijd rennen!”
Papraatje (6) – Pillen en een borreltje
“Maar het zijn toch jóúw pillen?” hou ik vol. “En jíj kan dan toch niet slapen?”
Maar dat zie ik helemaal verkeerd. Moet hij zich nu ook nog met zijn eigen medicijnen bezig gaan houden? Waar zijn die zusters dan voor? Sinds hij alleen is en te veel tijd heeft om te denken, is hij haastig en heftig hevige hoeveelheden Henkes en Hoppe gaan hevelen.








