
bron: pixabay.com
Vorige week schreef ik over onze verhalen. De verhalen die we elkaar vertellen om de tijd die we ons nog wél herinneren, terug te halen.
Vandaag zocht ik je op. Je bent nu een week in je nieuwe huis, maar wennen doe je niet echt. Je wacht vooral vaak tot Karin je komt halen, begrijp ik van de verpleging.
Maar Karin komt niet, lieverd. Ze woont in Australië, weet je nog? Alweer een aantal jaren. Als ik het je vertel, begin je te lachen. Medelijdend kijk je me aan. Alsof je wilt zeggen: “Hoe kún je je zo vergissen?”
Je herkende me wel, vandaag. Dat was fijn! Ik kwam wat eerder om te helpen met het maken van de maaltijd in de keuken van de woongemeenschap. Samen schilden we de aardappelen en praatten over vroeger. Ik weet niet zeker of je nog kunt plaatsen waar je bent en waarom je daar bent, maar je lijkt rustiger dan een week geleden.
Je man ziet er slecht uit, maar dat vertel ik je niet. Gisteren ben ik bij hem gaan kijken. Slapen doet hij niet. Nog steeds luistert hij met een half oor of hij je hoort opstaan. Maar je bent er niet. Daardoor luistert hij naar de oorverdovende stilte en krijgt het schuldgevoel vrij spel. Het schuldgevoel dat hij niet meer voor je kan zorgen. Het schuldgevoel dat hij je moest laten gaan, dat hij niet met je meekon.
Vroeger kon dat nog, als echtpaar naar een verzorgingshuis, maar tegenwoordig niet meer. De verzorgingshuizen verdwijnen, de verpleeghuizen blijven over. Want “we” willen langer thuiswonen, zegt de overheid. Maar wie is “we” eigenlijk? Hebben ze dat echt aan ons ouderen gevraagd? Met alle publiciteit rondom de verpleeghuizen de laatste jaren, snap ik het ook wel. Je zou bijna zeggen dat het in scène is gezet om ons af te schrikken. Om te zorgen dat we ook echt thuis wíllen blijven.
Gelukkig wordt er goed voor jou gezorgd en woon je in een prachtig huis. Je hebt een eigen kamer en eigen sanitair en de verpleging loopt hard voor jullie. Té hard, dat wel. Wat extra handen zouden ze wel kunnen gebruiken, denk ik, als ik ze zo zie rennen van de één naar de ander.
Ik ga baar bed, meis, ik hoop dat ik wel wat kan slapen. Ook mij speelt het schuldgevoel nog parten. Morgen pas ik op Merel en Thijs, maar overmorgen kom ik weer bij je langs. Dan zal ik je de foto’s van mijn prachtige kleinkinderen laten zien en zullen we samen lachen om hun streken. Beloofd!






Geef een reactie