In de namiddag zit hij de krant door te nemen, die hij daags na verschijnen van een buurman op de gang krijgt. Als tegenprestatie geeft hij de man af en toe een zelfgebakken boterkoek, maar na het ter ziele gaan van zijn oventje moet hij wat anders verzinnen.
De schemerlamp op het kastje naast zijn stoel voldoet echter niet bij deze activiteit. Dat ‘klotekappie’ geeft te weinig licht naar zijn zin, verneem ik.
“Wordt het dan niet eens tijd voor een leeslamp?” doe ik een suggestie.
“Welnee, ik heb het al lang opgelost,” zegt hij, trots en met een wijzend gebaar naar het bruut besneden huisraad. Het plissé van het betreffende lampenkapje blijkt hij plaatselijk, met zekere precisie met behulp van een aardappelschilmesje, te hebben bewerkt en daarom functioneert het nu weer naar zijn volle tevredenheid.
Er is een “zuster van Het Rooie Kruis” geweest voor de mogelijkheden van dagbesteding. Hij heeft haar – “ach, twas een aardig wijf” – beloofd dat hij één keer gaat, om te kijken of het wat voor hem is. Wat hij daar gaat doen? Hij heeft geen idee. “Misschien mag je wel gezellig bingo-en?”, zeg ik, vals vrolijk, zijn aversie tegen dat soort sneue spelletjes kennende. En delende.
Het werkt. “Bingo? Daar begin ik niet aan!” stuift hij verontwaardigd op van de bruinleren bank. “En een beetje knutselen mot ik ook niet. Ik ga niet figuurzagen!” Wat hij wel leuk zou vinden om te doen, weet hij niet. “Nee, ik heb het gehad en ik ben er klaar mee,” verzucht hij, in de verte starend.
“Waar ben je klaar mee?” wil ik, iets te hoopvol, weten.
“Met werken!” klinkt het, toch wat teleurstellende, antwoord. “Ik heb genoeg gezaagd!” Naar die erfenis kan ik voorlopig wel fluiten.
De waterkoker blijkt defect, dus het hete water voor de thee wordt gemaakt in een flinke kookpan. “Dat is niks, zal ik morgen een nieuwe voor je kopen?”
“Welnee, zo gaat het ook prima,” wuift hij het voorstel weg. Bij nadere inspectie blijkt de stekker niet in het stopcontact te zitten. Nog niet zo heel lang geleden schafte hij zich, door hetzelfde euvel, een nieuwe dubbeldeurs koelkast aan.
“Kijk nou es, hij doet het weer!” roep ik opgewekt.
“Verrek, hoe hebbie dat geflikt?” verbaast hij zich.
Tegen zessen staat hij op, zet koffie en maakt een paar boterhammen met hagelslag, want daar heb je geen rommel van. Geen rommel? Nee, flink wat boter erop en dan een beste laag eroverheen, stevig aandrukken en dan staande boven de gootsteen opeten, dan knoei je geen korrel, is het advies. Puur of melk? Puur natuurlijk! Hij is geen wijf!
Douchen en scheren beperkt hij tot tweemaal per week, meer is niet nodig. Hij doet niks, dus waar wordt hij vies van? En dat scheren leidt, door zijn “dunne bloed”, nogal eens tot een bloedbad. Zou het dan geen idee om elektrisch te gaan scheren? Maar dat blijkt toch meer iets voor homo’s te zijn en niet voor echte mannen.
Ik zie het ranzige kooktoestel (de werkster moet meer lullen dan poetsen), zijn uitgelubberde sokken met gaten en zijn vlekkerige overhemd.
“Je moet geen vieze oude man worden, hoor!” grap ik dan maar wat.
Hij schatert.
Voor zevenen zit hij dan klaar voor de nieuwsberichten, die fijn elk uur worden herhaald.
“Daar ben ik altijd dól op!” klinkt hij blij.
Waarom?
Stomverbaasd kijkt hij me aan en blèrt: “Je moet toch weten wat er voor rottigheid in de wereld is!”
Mochten die moffen nog es wat van plan zijn, dan is hij in ieder geval dit keer op de hoogte.
Voor een fan van struisvogelpolitiek, is zo’n opmerking zo rot nog niet.







Geef een reactie