In de borstzak van zijn overhemd met korte mouwen zit 500 euro. Gisteren gehaald. Wat hij daarmee moet? Nou gewoon; hij wil niet zonder zitten. Nee, zijn pinpas is hij niet kwijt.
“Maar berg het dan ergens goed op!” raad ik hem aan.
“Nee, ik wil het direct voor het grijpen hebben,” verklaart hij, zich op de borst kloppend. Dat verdwijnt eerdaags vermoedelijk in de wasmachine.
“Bij Gall en Gall kan je toch pinnen?” vraag ik, vrolijk en vals.
“Bij de wat?” vraagt hij, met zijn handen achter zijn oren.
“Bij de Gall en Gall!” schreeuw ik. Het wordt tijd voor een Schoonenbergje.
“Nee, daar kom ik niet meer,” zegt hij, zowaar met een vies gezicht.
“Oh nee? Sinds wanneer niet?” wil ik weten. Sinds een paar weken al, zo blijkt.
“Nou nou, hoe dat zo?” Ik weet het wel, maar ik wil het uit zijn mond horen.
“Toen hebben ze me met drie zusters overeind moeten laten hijsen, omdat ik gevallen was. Ik had een slokkie op en bloeide door die pillen als een rund, omdat ik met me kop tegen de tafel kwam. Daarom hebben ze me naar het ziekenhuis gebracht, maar ik weet er niks meer van.”
Daags erna was hij weer thuis en viel er een brief van ‘Christenen voor Israël’ op de mat, met daarop de indringende kreet ‘Breng de Joden thuis!’.
“En toen dacht ik; waar ben ik mee bezig? Voor het geld waar ik van zit te zuipe, kenne die lui vrete!”
Derhalve stopte hij terstond met de jonge klare en begon hij met het wekelijks sturen van een briefje van 50 euro in een handgeschreven envelop, ter attentie van de Joden. Daar gaat mijn erfenis.
“Dat kan je toch veel beter per bank overmaken?” stel ik voor.
“Welnee, zo gaat het ook prima,” zegt hij, tevreden over zijn goedertierenheid.
De Joden hebben, als het door God uitverkoren volk, zijn steun hard nodig, verneem ik. Waarom? Weet ik dat niet? Ongelovig kijkt hij me aan.
“Om al die verrekte Arabieren er eindelijk es uit te flikkeren!” roept hij furieus. Ik schrik ervan. Het lijkt een uitgelezen moment om het verhaal van de barmhartige Samaritaan eens stevig onder de aandacht te brengen.
“Maar waarom? Als je daar bent geboren, ben je toch een Israëliet? Iedereen die in Nederland is geboren, is toch ook een Nederlander?” doe ik een halfslachtige poging. Hij kijkt mij niet begrijpend aan, schudt gedecideerd zijn hoofd en brult met vuurschietende ogen: “Dat ís gewoon zo; dat weet toch iedereen!?”
Tijd voor een ander onderwerp. De psychiater is geweest. Waarom? Geen idee. Vraag je dat dan niet? Welnee, waarom? Dat zijn mijn zaken niet.
Zo’n jonge knul was het; een jaar of vijftig. Wat weet zo’n vent nou? En hij bleef wel een uur! Had die man niks beters te doen? Maar hij heeft nu wel andere slaappillen, dat wel.
“Die vrijer moest ik maar een beetje aan de praat zien te houden. En hij maar een beetje knikken. Ik was blij toen hij weer opgerot was.”
Dan komt er ineens een gouwe ouwe voorbij. In de oorlog is pa tewerkgesteld in Duitsland, alwaar hij enige tijd bij een bakker heeft gewerkt en gewoond. Ondanks het gedwongen karakter heeft hij toch goede herinneringen aan die periode. Daarom wilde hij er nog graag eens heen. Enkele jaren geleden was het zover. Het adres zat nog vers in zijn geheugen en hij stuurde, ter aankondiging van zijn komst, een ansichtkaart, met daarop de skyline van Rotterdam, voorzien van zijn beste Duits.
‘Mit Grussen von Peter aus Holland. Ich komme wieder.’
Aldaar aangekomen, bleek dat 70 jaar na dato het gebouw op wondere wijze nog steeds bestond. De toenmalige statige bakkerij was echter omgebouwd tot een sjofele studentenhuisvesting die hermetisch was gesloten.
Droevig tuurde hij door de smoezelige voormalige etalageruit en keek in een rommelige ruimte, die als fietsenstalling en opslag werd gebruikt.
“Gek! Ze wisten toch dat ik zou komen.”







Geef een reactie