Hij was altijd erg dol op eten; kieskeurig was hij niet, als het maar vooral veél was. Veel was goed. Veel was veilig. Veel betekende voorraad voor je weet maar nooit. Hij at in een razend tempo, vrijwel zonder wat te zeggen. Het was voor hem een serieuze zaak, die wel zijn volle aandacht vergde, doch zeker niet te veel tijd mocht kosten. Als je opgroeit in een gezin met tien kinderen moet je ook wel snel zijn, anders vis je vet achter het net. En dan die oorlog…
Dubbele boterhammen, geplamuurd met boter en belegd met kaas of worst, zo uit het vuistje. En dat vier keer. In tien minuten weg.
Twee grote borden vol en dan alle pannen nog leeg. Aardappels, groente, vlees en jus, véél jus. En niet dat gewichtige gedoe met mes en vork, maar met een lepel, want dat gaat lekker snel en hij houdt nu eenmaal van opschieten. Hooguit een kwartier.

bron: pixabay.com
Geen hooghartige hoogstandjes en loze liflafjes; gewoon recht toe recht aan voer van de Hollandsche pot. Vanillevla met hopjesvla toe, teneinde de eventuele gaatjes te vullen, om daarna urenlang uit te buiken, half liggend op de bank met de voeten op de tafel. “Ik sta op barsten,” kreunde hij dan.
Maar daar is nu geen sprake meer van; het enige wat vermoedelijk op barsten staat, is zijn lever. Al dagen doet hij het erg rustig aan met de jonge klare, hoor ik van hem.
“Wat is rustig?” wil ik weten.
Mijn vraag negerend, vervolgt hij: “Nee, lekker vind ik het niet, het gaat me alleen om de alcohol, om het effect.”
“Dat snap ik, maar dan kan je toch ook iets nemen, wat je wél lekker vindt?”
Nee, want dat is véél te duur. “Maar je hebt geld genoeg en je kan het toch niet meenemen.” Alleen over dat laatste zijn we het eens.
De ooit cadeau gegeven fles Jamaicaanse bruine rum blijft derhalve vooralsnog onaangeroerd op een plank van het eikenhouten dressoir staan.
“Dat is toch niet iets voor “gewoon”? Dat is voor iets bijzonders of voor een feessie!” verkondigt hij fanatiek.
“Dan maken we die maar soldaat als jij gaat hemelen,” beloof ik hem.
Dat vindt hij bijzonder grappig.
Zijn koelkast is vrijwel leeg, op een doos eieren, zes kuipjes Bleu Band, een doos gesorteerde Belgische bonbons (voor de werkster) en een fles jonge jenever na. De vriezer bevat een aantal literbakken vanille-ijs. “Eet je wel goed?” informeer ik.
“Ik hou veel van me eige, dus ik zorg erg goed voor mezelf en kom helemaal niets tekort,” zegt hij trots.
“Nou, in dat wat jij eet, zitten niet zo heel veel vitamines hoor.”
“Vitamines? Allemaal flauwekul! blaast hij. “In de oorlog hadden we ook geen vitamines, we hadden geeneens te vreten.”

bron: pixabay.com
Boterhammen met boter en suiker. Aardappelen met boter en zout. Af en toe een bak ijs. Dat staat momenteel op zijn dagelijks menu. Dat wat hij boter noemt, betreft overigens margarine. “Roomboter is niet voor ons soort mensen.” Véél te duur. Nee, hij heeft geen idee wat het kost.
Sinds kort krijgt hij tweemaal per week een warme hap van het huis. Echt lekker vindt hij het niet, “slappe, laffe rotzooi en zo fijn als gemalen poppenstront”, maar hij eet het wél op. Dat doet hij met vrijwel alles wat ter versnapering voor hem neer wordt neerzet.
“Zonde om weg te gooien, in de oorlog had ik er een moord voor gedaan.”
Door schrijft over alledaagse gesprekken en gebeurtenissen met haar eigenwijze vader (90+).
Deze blogs zijn ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl





Geef een reactie