“Met wie?”
“Met wie denk je?”
“Ik weet ‘t niet…met Sofie?
“Neehee, met je dochter!”
“De dokter? Maar ik mankeer niks!”
“Nee, met je DOCHTER!”
“Wie z’n dochter?”
“JOUW dochter!”
“O…ben JIJ het?!”
“Ja! Herken je m’n stem niet meer?”
“Nee, dat komt…ik ben doof an me oor.”
Bij binnenkomst hoor ik als eerste dat ie weer een rouwkaart ontvangen heeft, maar dat hij werkelijk géén idee heeft, wie de op hoge leeftijd ontslapen heer is. En daar tobt hij, tot zijn ongenoegen, nu al dagenlang over.
“Ik kén die vrijer helemaal niet!” roept hij boos, alsof hij het de man kwalijk neemt dat deze hem postuum opzettelijk lastigvalt met ongewenste post.
“Laat mij es kijken,” bied ik aan. Bij de nabestaanden zie ik een aangetrouwd familielid vermeld staan. “Het is de vader van Marijke van Harm,” verklaar ik.
“O, dié…! Nou, ik heb die kerel nog nooit gezien en het zal er nu wel helemaal niet meer van komme.” Opgelucht gooit hij de zwart omrande kaart in de vuilnisbak.
Ineens wil hij weten hoeveel schijven er bij een sjoelbak horen. Hij heeft er een in het halletje staan, maar als ie niet compleet is, heeft niemand er wat aan. “Hoeveel denk je?” vraag ik. Hij denkt 30. Volgens internet is dit aantal correct. Maar de sjoelbak is ook wat smaller dan gebruikelijk, vindt hij.
“Zoek je rolmaat, dan meten we em op,” opper ik. Hij weet het meetding blindelings te vinden. En met een breedte van 41 centimeter voldoet de bruinhouten bak aan de gestelde eisen, hetgeen hem buitengewoon opgewekt stemt.
Op de salontafel ligt een tube zalf, verbandmateriaal en een doos met witlatex handschoenen. Waarvoor die zijn? Hij wijst wat achteloos en vaag kruiswaarts. De binnentredende zuster, die met de gemene kuiten, geeft in het keukentje desgevraagd en met zorgelijke blik aan, dat zijn liezen, en hetgeen daartussen zit, “gesmet” zijn en derhalve professioneel behandeld dienen te worden. Hij stelt zich echter niet coöperatief op, waardoor het steeds erger wordt. Of ik hem niet ertoe kan bewegen om het “toe te laten”? Ik beloof haar dat ik heel erg mijn best zal doen.
“Heb je last van je liezen?” Hij knikt. “Doet het pijn?” Hij knikt weer.
“Daar moet je dan elke dag héél erg goed voor laten zorgen door de zusters.”
“Ja ja…,” houdt hij de boot af, terwijl hij uit het raam kijkt waar niets te zien valt.
“Want als je dat niet doet, gaat de boel ontsteken,” doceer ik streng. Hij bromt wat.
“En als het erg ontstoken is, vallen de gaten erin,” dreig ik voorts, want wie niet horen wil, moet voelen, zo is mij door hem geleerd, “en dan gaat het stinken en rotten,” doe ik nog gezellig een paar extra duiten in het zakje.
Vol afschuw kijkt hij me aan en blikt vervolgens naar zijn kruis. “Gate…? Rotte…?
Ik kijk zo dramatisch als maar mogelijk en knik met grote, uitpuilende ogen.
“Goeie genade…,” zucht hij dan beverig, “dan motte die meide me maar in me blote tokus zien.”

bron: eigen foto





Geef een reactie